This post is also available in:
Het huidige betalingsrecht draait om één vraag. Heeft de betaler de transactie toegestaan?
Zo ja, dan is de bank niets verschuldigd. Zo niet, dan betaalt zij terug, behalve bij grove nalatigheid of fraude van de gebruiker.
Dat model bepaalt sinds de omzetting van PSD2 in 2018 alle geschillen over phishing en spoofing. Daarom gaan de discussies over de toestemming, over de sterke cliëntauthenticatie en over de grove nalatigheid. Daarom lopen de Belgische uitspraken ook uiteen: de vraag is binair, de fraudegevallen zijn dat niet.
De verordening betalingsdiensten (PSR), die samen met de derde richtlijn betalingsdiensten (PSD3) komt, laat dit model los.
Hoe ver staat de verordening betalingsdiensten?
Het Europees Parlement en de Raad bereikten op 27 november 2025 een voorlopig politiek akkoord over PSD3 en de PSR. Op 23 april 2026 publiceerde de Raad de definitieve compromisteksten en legde hij ze voor aan het Comité van permanente vertegenwoordigers, met het oog op een akkoord in tweede lezing met het Parlement. De commissie ECON van het Parlement keurde ze goed op 5 mei 2026.
De publicatie in het Publicatieblad wordt nog verwacht. De verordening wordt van toepassing eenentwintig maanden na haar inwerkingtreding. De verplichtingen rond de verificatie van de begunstigde volgen pas na zevenentwintig maanden.
De tekst is dus nog niet van toepassing. Inhoudelijk ligt hij wel vast. Wie vandaag standpunten inneemt in dossiers die in 2028 of 2029 worden beslecht, moet er rekening mee houden.
Welke regeling voor betwiste betalingen onder de nieuwe verordening?
De verordening behoudt de categorie van de niet-toegestane transacties, met haar terugbetalingsregeling.
Zij voegt er een tweede aan toe: toegestane maar terugbetaalbare transacties.
Drie gevallen vallen daaronder.
Het eerste is fraude waarbij iemand zich voordoet als de bank. De consument heeft wel toestemming gegeven, maar alleen omdat een derde zich als zijn bank voorstelde via communicatiekanalen die aan die bank worden toegeschreven: een telefoonnummer, een e-mailadres of een berichtenreeks die van de bank lijken te komen. Een oproep van een willekeurig nummer door iemand die zegt bankbediende te zijn, volstaat volgens de compromistekst niet.
Het tweede is het falen van de verificatie van de begunstigde. De bank heeft de betaler niet gewezen op het verschil tussen de naam van de begunstigde en het rekeningnummer, terwijl zij dat moest doen.
Het derde is het falen van de transactiemonitoring. De verordening verplicht de bank van de betaler om de transactie te controleren vóór de uitvoering, en de bank van de begunstigde om ze te controleren vóór zij het geld ter beschikking stelt. De bank die deze controle niet heeft uitgevoerd, draagt de frauduleuze transactie.
Bewijzen dat een betaling werd toegestaan, volstaat niet meer
Het praktische gevolg is duidelijk. Aantonen dat een transactie werd toegestaan, sluit de discussie niet langer af.
Onder PSD2 volstaat in beginsel het bewijs van de toestemming, gesteund op de sterke authenticatie. De rechter onderzoekt daarna de nalatigheid van de gebruiker.
Onder de PSR opent datzelfde bewijs een tweede vraag: heeft de preventie van de bank gewerkt zoals het hoorde?
Die vraag is van een andere aard. Zij gaat niet langer over het gedrag van de gebruiker, maar over de interne organisatie van de bank. Zij vraagt ander bewijs: documentatie van de detectiescenario’s, alertlogs, opschortingsprocedures, traceerbaarheid van de beslissingen.
Men moet verwachten dat die stukken zullen worden opgevraagd. Banken doen er goed aan nu al na te gaan of ze bewaard, gedateerd en bruikbaar zijn.
Ook de bank van de begunstigde komt in beeld
De tweede verschuiving is nog fundamenteler.
De PSR maakt van de bank van de begunstigde een speler in de preventie. Zij moet inkomende transacties controleren en het geld blokkeren wanneer een transactie verdacht is.
Vandaag is de bank van de begunstigde een derde bij het geschil. De betaler richt zich tot zijn eigen bank. Die bank heeft wel een verhaalsrecht tegen de aanbieder aan wie de aansprakelijkheid toe te rekenen is (artikel 92 PSD2, omgezet in het Wetboek van economisch recht). Maar dat verhaal is niet bedoeld voor fraude door manipulatie van de betaler en wordt in deze geschillen in de praktijk niet gebruikt.
Morgen is een tekortkoming van de bank van de begunstigde een benoemde fout, zowel voor de verificatie van de begunstigde als voor de transactiemonitoring. Dat opent twee perspectieven: de vraag naar een rechtstreekse vordering van het slachtoffer, en vooral een verhaal tussen banken.
Voor dat geschil tussen instellingen bestaat geen Belgische of Europese rechtspraak. De modaliteiten van het verhaal, de kwalificatie, de verjaring en de aansluiting op de interbancaire afwikkelingsregels moeten nog worden opgebouwd.
Wat blijft: de grove nalatigheid van de gebruiker
De grove nalatigheid van de gebruiker blijft tegenwerpelijk. De PSR schept geen onvoorwaardelijk recht op terugbetaling.
De sterke authenticatie blijft vereist, met haar bewijsregeling. De bank moet nog altijd de authenticatie, de registratie en de boeking van de transactie aantonen. Het gebruik van het betaalinstrument of het doorlopen van de sterke authenticatie volstaat op zich niet om te bewijzen dat de transactie werd toegestaan of dat de betaler grof nalatig was. PSD2 zei dat al. De PSR behoudt het.
De terugbetaling bij fraude waarbij iemand zich voordoet als de bank heeft eigen voorwaarden. Zij geldt alleen voor consumenten. De consument moet de fraude aangeven bij de politie en zijn bank zonder onnodige vertraging verwittigen. De bank heeft dan vijftien werkdagen om terug te betalen of haar weigering te motiveren. Zij mag alleen weigeren als zij fraude of grove nalatigheid van de consument bewijst, en de bewijslast ligt bij haar. Die voorwaarden verdienen een aandachtige lezing van de gepubliceerde tekst, want de compromisversie kan bij de juridisch-taalkundige herziening nog redactioneel worden bijgestuurd.
Open vragen en beoordeling
De eerste betreft de norm. Vanaf wanneer heeft de transactiemonitoring gefaald? De verordening legt geen drempel vast. De technische normen van de Europese Bankautoriteit zullen een deel invullen, maar de rechter zal vooral feitelijke elementen toetsen.
De tweede betreft de lopende dossiers. Een geschil dat vandaag wordt ingeleid, wordt onder PSD2 beoordeeld. Een geschil over feiten na de datum van toepassing valt onder de PSR. De argumenten zijn niet overdraagbaar, en de precedentwaarde van de huidige rechtspraak zal snel afnemen op de punten die de verordening wijzigt.
Dit is de Nederlandse versie van een artikel dat oorspronkelijk in het Frans op bankinglaw.be verscheen.
Geef een reactie