This post is also available in:
De zaak: een verkooporder dat de bank niet uitvoerde
Een private-bankingbelegger, die met een bank een execution only-overeenkomst had gesloten (loutere uitvoering van orders, geen beleggingsadvies of discretionair beheer), verweet haar zijn instructies tot verkoop van door hem gehouden inschrijvingsrechten niet te hebben uitgevoerd. De bank meende dat zo’n order de grenzen van de overeenkomst overschreed en onvoldoende nauwkeurig was, en voerde het niet uit. De rechtbank oordeelde dat de bank een fout had begaan door de aandacht van haar cliënt, bij ontvangst van het order, niet te vestigen op het feit dat het kennelijk buiten de overeenkomst viel en dus niet kon worden uitgevoerd.
Hoe de belegger voor die fout vergoeden?
De belegger voerde aan dat de fout van de bank hem een schade had berokkend gelijk aan het verschil tussen de gemiddelde prijs van 11 EUR per effect (de prijs tijdens de eerste vier beursdagen) en de eenheidsprijs van 4,60 EUR die uiteindelijk werd verkregen toen hij kon verkopen. De bank antwoordde dat de cliënt, zelfs indien zij hem had gewaarschuwd dat het order onnauwkeurig was, geen nauwkeuriger order had kunnen geven en dus niet had kunnen verkopen.
De schade en het verlies van een kans in het financieel recht
Het Hof van Cassatie beschouwt de schade als de aantasting van een belang of het verlies van enig voordeel, voor zover dat stabiel en rechtmatig is. Schade is zeker wanneer zij niet louter hypothetisch of conjectureel is; zij moet niet zeker zijn in haar omvang, maar wel in haar beginsel. Het verlies van een kans is het verdwijnen van de mogelijkheid dat een gunstig voorval zich voordoet (een koersstijging) of dat een ongunstig voorval zich niet voordoet (een koersdaling). Die theorie laat toe een slachtoffer te vergoeden wanneer een onzekerheid het verkrijgen van een voordeel of het vermijden van een verlies raakt, voor zover de kansen ernstig zijn. Het Hof van Cassatie erkende de ruime opvatting: een reële kans wordt voor de vergoeding in aanmerking genomen indien de fout de conditio sine qua non van het verlies ervan is.
De redenering van de rechtbank: de waarschijnlijkheid dat de belegger anders zou hebben beslist
De rechtbank oordeelde dat het onbetwistbaar was dat de cliënt, indien de bank de uitvoering van het order had geweigerd, andere maatregelen zou hebben genomen. Door na te laten de uitvoering te weigeren zoals zij had moeten doen, heeft de bank haar cliënt met zekerheid belet andere maatregelen te nemen. Wat de waardering van de schade betreft, stelde dit evenwel niet vast dat de cliënt noodzakelijk aan 11 EUR zou hebben verkocht. De rechtbank achtte het hoogst waarschijnlijk dat de cliënt, een in de financiële wereld ervaren belegger die de situatie van dag tot dag volgde, zou hebben gereageerd toen de koers van de inschrijvingsrechten plots van 12 EUR naar 9,40 EUR daalde.
De vraag was vervolgens welke kansen er waren dat de cliënt, geïnformeerd gebleven en vrij om de voor hem beste strategische keuzes te maken, zou hebben beslist te verkopen tegen een gunstiger koers dan die waartegen zijn effecten effectief werden verkocht. De rechtbank oordeelde dat er een sterke waarschijnlijkheid bestond, die zij op 85% raamde, dat de cliënt zijn effecten op de vijfde beursdag zou hebben verkocht, tegen 9,40 EUR. Zij besloot dus tot een oorzakelijk verband tussen de fout van de bank en een schade van (85% x 9,40 EUR x 9.000 effecten) min de verkregen prijs van 41.164,02 EUR, hetzij 30.745,98 EUR.
Dit artikel is een vertaling. Enkel de Franse versie is authentiek. Het wordt louter ter informatie verstrekt en vormt geen juridisch advies.
Over hetzelfde onderwerp
- UCITS V en de bewaarder: oversight, cashflow monitoring en safekeeping
- Private banking, MiFID II, coronavirus en werken op afstand: het bewijs van telefonische beleggingsorders en de verplichte opname
- Aansprakelijkheid bij vermogensbeheer: beoordeling achteraf, een gemiste fiscale wet, informatieplicht en het profiel van de belegger
- Private banking en discretionair beheer: laattijdige betwisting en bewijs van een beheersmandaat
- De kwalificatie van verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten: economisch gelijkaardig, juridisch verschillend
Geef een reactie