Consumentenkrediet en de plicht van de bank om de kredietwaardigheid te beoordelen

This post is also available in: Français (Frans) English (Engels)

Over het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 6 juni 2019 inzake consumentenkrediet.

Een consumentenkrediet toegekend, zonnepanelen betaald maar… nooit geleverd

Een bank had de aankoop van zonnepanelen door een consument gefinancierd. Het kredietbedrag werd aan de consument uitbetaald, vervolgens aan de fabrikant en installateur. De bestelde panelen werden echter nooit geleverd. De consument moest de bank niettemin terugbetalen. Hij verzette zich daartegen en bracht het geschil voor de vrederechter, die bevoegd is voor geschillen inzake consumentenkrediet. Hij verweet de bank hem een te hoog bedrag te hebben geleend gelet op zijn inkomsten.

Twee verplichtingen van de bankier vóór het toekennen van een consumentenkrediet

Artikel VII.75 van het Wetboek van economisch recht, voorheen artikel 15, eerste lid van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet, legt de kredietgever en de kredietbemiddelaar de verplichting op om, in het kader van de kredietovereenkomsten die zij gewoonlijk aanbieden of waarvoor zij gewoonlijk bemiddelen, het type en het bedrag van het krediet te zoeken die het best zijn aangepast aan de financiële toestand van de consument en aan het doel van het krediet. Deze verplichting heeft geen equivalent in Richtlijn 2008/48/EG van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten. Artikel 5, lid 6 van de richtlijn beoogt de consument in staat te stellen te beoordelen of de voorgestelde kredietovereenkomst aan zijn behoeften en financiële situatie beantwoordt, maar schept geen vergelijkbare verplichting voor de bank.

Artikel VII.77 van het Wetboek, voorheen artikel 15, tweede lid van de wet, verplicht de kredietgever slechts een kredietovereenkomst te sluiten indien hij, gelet op de gegevens waarover hij beschikt of zou moeten beschikken, met name op basis van de raadpleging van de Centrale voor kredieten aan particulieren, redelijkerwijs moet aannemen dat de consument in staat zal zijn de verplichtingen uit de overeenkomst na te komen. De richtlijn bevat geen enkele bepaling over de houding die de kredietgever moet aannemen bij twijfel over de solvabiliteit van de consument. Vergelijkbare verplichtingen bestaan inzake hypothecair krediet.

Het arrest van het HvJ EU van 6 juni 2019

Op 6 juni 2019 wees het Hof van Justitie van de Europese Unie een arrest [1] over de uitlegging van artikel 5, lid 6 van Richtlijn 2008/48/EG. Op een prejudiciële vraag van de vrederechter van het kanton Wezet diende het Hof zich uit te spreken over de verenigbaarheid van de artikelen VII.75 en VII.77 van het Belgische Wetboek met de richtlijn.

Volgens de bank komt het, in een ruime uitlegging van de Belgische bepalingen, in werkelijkheid aan de kredietgever toe om zelf te oordelen over de opportuniteit van het sluiten van het krediet, terwijl die beslissing, zoals bij kredieten aan ondernemingen, uitsluitend tot de verantwoordelijkheid van de kredietnemer zou moeten behoren.

Het Hof volgde die redenering niet. De verstrengde verplichtingen van het Belgische consumentenkredietrecht zijn niet onverenigbaar met de richtlijn, die de lidstaten toelaat een hoog niveau van consumentenbescherming te voorzien. Het Hof herinnerde ook aan zijn eerdere rechtspraak: de verplichting om de kredietwaardigheid van de consument te beoordelen, beoogt de kredietgever te responsabiliseren en te vermijden dat hij krediet verleent aan insolvabele consumenten [2]. Het bepalen van de verplichtingen die na de kredietwaardigheidsbeoordeling aan de kredietgever kunnen worden opgelegd, blijft evenwel tot de bevoegdheid van de lidstaten behoren en valt buiten het toepassingsgebied van de richtlijn [3].

Bijgevolg doet de nationale verplichting voor de kredietgever om zich te onthouden van het sluiten van de overeenkomst wanneer hij niet redelijkerwijs kan aannemen dat de consument het krediet zal kunnen terugbetalen, geen afbreuk aan de doelstelling van artikel 8, lid 1 van Richtlijn 2008/48, noch aan de principiële verantwoordelijkheid van de consument om over zijn eigen belangen te waken.

Een ander artikel op deze site herinnert aan de verplichtingen van de bemiddelaars in consumentenkrediet, met name inzake de verificatie van de door de consument verstrekte informatie.


[1] HvJ EU, zaak C-58/18.

[2] Arrest van 18 december 2014, CA Consumer Finance, C-449/13, punt 43.

[3] Anders dan Richtlijn 2014/17 inzake woningkredieten voor consumenten, artikel 18, lid 5, a): de kredietgever verstrekt het krediet slechts indien uit de kredietwaardigheidsbeoordeling blijkt dat de verplichtingen waarschijnlijk zullen worden nagekomen.

Dit artikel is een vertaling. Enkel de Franse versie is authentiek. Het wordt louter ter informatie verstrekt en vormt geen juridisch advies.

Geef een reactie

Omhoog ↑

Ontdek meer van Banking and Finance law in Belgium

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder