De Belgische wet is slecht aangepast aan negatieve rentevoeten

This post is also available in: Français (Frans) English (Engels)

Behoudens bepaalde regels van toepassing op de spaarrekeningen heeft geen enkele bepaling geanticipeerd op de daling van de rentevoeten onder nul. Theoretisch zouden zelfs levensverzekeringen met gewaarborgd kapitaal negatieve rentevoeten kunnen dragen. Steeds meer banken bieden hun cliënten niet-gereglementeerde spaarrekeningen aan, die niet onderworpen zijn aan de verplichting een minimumrendement van 0,11% te bieden.

Een economische context die niet langer theoretisch is

Sinds enkele jaren zijn de negatieve rentevoeten steeds frequenter geworden in België, een situatie waarop onze wetten weinig voorbereid zijn. Sinds de zomer van 2019 evolueert de rentevoet van de tienjarige obligaties van de Belgische Staat regelmatig in negatief gebied. Deze rentevoet dient als referentie voor een groot aantal economische transacties in België, zoals de hypothecaire kredietovereenkomsten. De Belgische overheidsobligaties met kortere looptijden dragen zelfs al langer negatieve rentevoeten: de rentevoet van de Belgische staatsobligaties die twee jaar na hun uitgifte vervallen, is reeds in september 2014 onder 0% gezakt. Deze situatie, een tiental jaar geleden nog ondenkbaar, werd niet door de wetgever geanticipeerd, zodat de Belgische wet slecht is aangepast aan negatieve rentevoeten.

Het voorbeeld van de aftrek voor risicokapitaal (notionele interesten)

Nemen we het geval van de aftrek voor risicokapitaal, een fiscaal voordeel dat veel succes kende vóór de laatste hervorming van de vennootschapsbelasting. Al werd de draagwijdte van deze maatregel, beter bekend onder de benaming notionele interesten, in 2018 aanzienlijk verminderd, hij kan nog nuttig zijn voor ondernemingen die kapitaalverhogingen doorvoeren. Het beginsel is relatief eenvoudig: een onderneming die haar eigen vermogen verhoogt, kan van haar belastbare winst een bedrag aftrekken dat gelijk is aan een bepaald percentage van het in het kapitaal geïnjecteerde geld. Het Wetboek van de inkomstenbelastingen koppelt dat percentage aan de rentevoet van de tienjarige obligaties van de Belgische Staat. Gevolg: sinds dit jaar is deze aftrek niet meer mogelijk, behoudens voor de kmo’s (die een licht verhoogde voet genieten), omdat de referentierentevoet in negatief gebied is gekomen. Om de impact van de schommelingen van de referentierentevoet te beperken, voorziet het Wetboek weliswaar in een plafond van 3% voor deze aftrek, maar het legt geen enkele bodem vast: de voet van de notionele interesten kan dus tot nul dalen en zelfs negatief worden. Dat is het geval voor het inkomstenjaar 2020 (aanslagjaar 2021), waarvoor de voet van de aftrek voor risicokapitaal, als men het zo mag zeggen, -0,092% bedraagt. Uiteraard, aangezien het aftrekken van een negatief bedrag zou neerkomen op een verhoging van de belastbare grondslag, zullen de betrokken ondernemingen deze mogelijkheid niet gebruiken.

De op de spaarrekeningen berekende interesten

De negatieve voeten hebben zich evenwel niet in de gehele Belgische economie kunnen opdringen. Want al laat de wet doorgaans de hypothese van voeten lager dan nul buiten beschouwing, toch bestaat er een bekende uitzondering betreffende de gereglementeerde spaardeposito’s, met andere woorden de spaarrekeningen. Het goede oude spaarboekje is strikt gereglementeerd, en in het uitvoeringsbesluit van het WIB leest men dat aan de houder van een spaardeposito geen debetrente kan worden gevraagd. Er is dus geen sprake van een negatieve voet op de spaarrekeningen in België toe te passen. Een extensieve interpretatie van deze reglementaire bepalingen verplicht de banken zelfs een minimumrentevoet van 0,11% toe te kennen, samengesteld uit een basisvoet van ten minste 0,01% en een getrouwheidspremie van ten minste 0,10%. Het KB tot uitvoering van het WIB is nochtans verre van expliciet ter zake. Het bepaalt dat de vergoeding van de spaardeposito’s verplicht een basisrente en een getrouwheidspremie omvat. In 2016, toen de financiële instellingen de voeten op de markten zagen kelderen en deze daling wensten door te rekenen in de vergoeding op hun spaarrekeningen, heeft de minister van Financiën uit deze reglementaire bepaling zeer opportuun afgeleid dat de banken een positieve minimumvoet aan de spaarders moesten toekennen, vandaar de basisvoet van 0,01%. Maar waarom 0,10% getrouwheidspremie? Het KB bepaalt dat de aangeboden getrouwheidspremievoet niet lager mag zijn dan 25% van de aangeboden basisrentevoet, en, indien dat percentage geen veelvoud is van een tiende procent, wordt de minimumvoet van de getrouwheidspremie afgerond naar het lagere tiende procent. Al lijkt deze bepaling veeleer te beogen de getrouwheidspremievoet af te ronden, toch heeft de minister van Financiën eruit besloten dat de getrouwheidspremie niet lager mocht zijn dan een tiende procent. Meerdere fiscalisten hebben deze extensieve interpretatie betwist. Maar het gerecht heeft de vraag niet moeten beslechten, en zal dat ongetwijfeld nooit moeten, want een financiële instelling die het risico zou nemen tegen deze interpretatie in te gaan, zou zich vermoedelijk zeer slechte publiciteit bij de spaarders op de hals halen.

Voor sommige banken kunnen de negatieve rentevoeten rentabiliteitsproblemen stellen. Hun overtollige deposito’s, dit wil zeggen die welke niet in aan ontleners verleende kredieten zijn omgezet, worden bij de Europese Centrale Bank geplaatst, die er een bestraffende voet van -0,5% op toepast. De Belgische financiële instellingen moeten dus blijk geven van vindingrijkheid om winstmarges te genereren, aangezien zij verplicht zijn de spaardeposito’s tegen 0,11% te vergoeden. Maar deze minimumvergoeding van de spaarrekeningen lijkt de enige uitzondering in de Belgische wetgeving. Er bestaat, voor zover ons bekend, geen andere specifieke regel die minimumdrempels oplegt. Bijgevolg belet niets de Belgische banken een nulvoet of zelfs een negatieve voet toe te passen op andere deposito’s, zoals zichtrekeningen of niet-gereglementeerde spaarrekeningen.

Wat met de zichtrekeningen?

Geen enkele wettelijke of reglementaire bepaling verbiedt dus te voorzien in een debetrentevoet op de sommen die op het credit van een zichtrekening staan. A fortiori zou een kredietinstelling de contractuele toepassing van een verschillende voet kunnen moduleren naargelang bijvoorbeeld het gemiddelde jaarlijkse uitstaande bedrag op de rekening.

Hypothecaire leningen met negatieve rentevoet?

De Belgische wetgever is niet de enige die weinig heeft geanticipeerd op de daling van de rentevoeten onder nul. De financiële instellingen zelf werden verrast. Sommige onder hen werden verplicht een negatieve voet toe te passen op hypothecaire leningen met variabele rentevoeten, omdat de referentievoet van deze overeenkomsten onder 0% was gezakt. Met andere woorden, de betrokken ontleners hebben aan hun bank minder kunnen terugbetalen dan wat zij hadden geleend, aangezien hun leningsovereenkomsten geen bodem voor de variabele voet hadden voorzien. Volgens Febelfin zijn de negatieve rentevoeten op krediet veeleer een ongelukje, wegens contractuele modaliteiten verbonden aan kredieten met variabele voeten, die niet hadden geanticipeerd dat de referentievoeten negatief zouden kunnen worden, een situatie die, voor zover ons bekend, in de praktijk is geregeld: de algemene voorwaarden betreffende de hypothecaire kredieten sluiten voortaan elke mogelijkheid uit dat de voeten van deze leningen negatief worden.

En bij de levensverzekeringen?

Het gebrek aan anticipatie van de negatieve voeten in de Belgische wetgeving stelt men eveneens vast in de regels van toepassing op de levensverzekeringen. De zogenaamde tak 21-overeenkomsten worden geacht een behoud van het kapitaal te waarborgen. In tegenstelling tot tak 23, waar het bedrag dat aan de verzekerde zal toekomen afhangt van de schommelingen van de financiële markten, moeten de tak 21-levensverzekeringen de spaarder in beginsel een bescherming van hun belegging en een gewaarborgde voet bieden. Maar, gelet op de evolutie van de voeten op de markten, geeft men bij de FSMA (Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten) toe dat het kan gebeuren dat de aangeboden voet negatief is. Al lijkt geen enkele wettelijke regel zich te verzetten tegen negatieve voeten in tak 21, geen enkele verzekeringsmaatschappij heeft vooralsnog een voet lager dan nul toegepast. Maar de FSMA vestigt de aandacht op de impact van de kosten van de levensverzekeringsovereenkomsten: de in België gecommercialiseerde spaarproducten hebben de voorbije jaren doorgaans relatief weinig rendement gegenereerd, en indien de vergoeding te laag is om de kosten te compenseren, kan het rendement van een spaarproduct negatief zijn wegens de inhouding van kosten, of het nu gaat om instap-, beheers-, uitstap- of administratiekosten. Met andere woorden, zelfs indien de in de tak 21-overeenkomst vermelde rentevoet positief is, kan het reële rendement, na aftrek van de kosten, best negatief zijn. In dat verband moet ook rekening worden gehouden met de taks van 2% die van toepassing is op de door de verzekerden gestorte premies. De FSMA adviseert rekening te houden met de potentiële impact van taksen en andere heffingen.

Brainstorming: juridische elementen voor of tegen de toepassing van een negatieve rentevoet op bankrekeningen

Wij inventariseren hierna enkele denkpistes die naar ons oordeel de idee van het gebruik van een negatieve rentevoet op andere bankrekeningen dan de gereglementeerde spaarrekeningen positief of negatief kunnen beïnvloeden.

Juridische elementen tegen een negatieve interest

Ondanks de afwezigheid van beperking (de gereglementeerde spaarrekeningen uitgezonderd) die hierboven is benadrukt, zou een cliënt, ontevreden een negatieve interest aangerekend te zien om zijn liquiditeiten te deponeren, verscheidene juridische argumenten kunnen inroepen om de aanrekening van negatieve interesten te trachten teniet te doen, met name de volgende: het wezen zelf van het begrip interest, waarbij de interest bestaat in de vergoeding van het geleende bedrag (aan de bankier in dit geval), en die in wezen steeds positief is; het beginsel van de bewaargevingsovereenkomst en de teruggaveplicht van de bankier, waarbij de bewaargevingsovereenkomst de verplichting voor de bank meebrengt het creditsaldo terug te betalen wanneer de cliënt daarom verzoekt (zichtrekening) of bij het bereiken van de overeengekomen termijn of het verstrijken van de eventueel bepaalde opzegtermijn (artikel 1239 van het Burgerlijk Wetboek); de oorzaak van het deposito in rekening door de cliënt (het doorslaggevende motief voor het sluiten van de rekeningovereenkomst) kan bestaan in de verzekering van het behoud van zijn tegoeden, maar ook in de vruchtbaarmaking ervan door de toepassing van een creditrentevoet, en verdwijnt die oorzaak, dan zou de cliënt kunnen menen dat de rekeningovereenkomst vervalt (al kan deze opvatting worden betwist nu, in een context van lage voeten lager dan de inflatie, de waarde van de deposito’s in werkelijkheid erodeert ondanks de positieve rentevoet); en, vanuit het standpunt van de cliënt, zou een negatieve voet het deposito kunnen uitsluiten van het voordeel van de depositobescherming die verplicht is gesteld door Richtlijn 2014/49/EU, aangezien de cliënt niet het integrale gedeponeerde kapitaal zou recupereren (dit geval is evenwel zuiver theoretisch, want indien het depositobeschermingsmechanisme niet werkt, zal de cliënt dit de kredietinstelling niet kunnen verwijten, aangezien deze in gebreke is). Men zal voor ogen houden dat de toepassing door de bank van een negatieve interest steeds het voorwerp zal uitmaken van een voorafgaande informatie aan de cliënt, die in geval van onenigheid het recht heeft de contractuele relatie met de bank te beëindigen. Bij ontstentenis daarvan wordt de aanvaarding van een wijziging van de voet door de cliënt vermoed.

Juridische elementen die een negatieve interest rechtvaardigen

De contractvrijheid is een fundamenteel rechtsbeginsel. Het is volkomen aanvaard dat de bewaarnemer van een goed (zoals, in het bankrecht, voor de verhuur van een kluis) een loon voor de bewaring van het deposito kan bedingen en voor zijn kosten kan worden vergoed (artikel 1928 van het Burgerlijk Wetboek). Dit beginsel is eveneens aanvaard inzake bankovereenkomsten over rekeningen. De vergoeding van het deposito en van de bewaring van de tegoeden vormt ongetwijfeld een voldoende grondslag om een negatieve rentevoet te rechtvaardigen.

Besluit: andere mogelijkheden?

Een bewaarcommissie? Het is, juridisch zowel als economisch, niet absurd een commissie te bedenken voor de bewaring van het door de cliënt gedeponeerde geld, waarbij deze commissie door middel van een voet wordt berekend. Een dergelijke oplossing heeft bovendien de verdienste de economische realiteit van het beleid van de ECB nagenoeg symmetrisch te reproduceren; de bewaring van de fondsen zal worden geïnterpreteerd als een dienstprestatie van de bankier. De bewaarcommissie moet in de teksten goed worden onderscheiden van de eventueel toegepaste beheerscommissie.

Een wijziging van de algemene bankvoorwaarden? Een andere mogelijkheid voor een kredietinstelling zou kunnen bestaan in de wijziging van de algemene bankvoorwaarden van toepassing op de gereglementeerde spaarrekeningen. Deze zouden naar ons oordeel perfect kunnen bepalen, bijvoorbeeld, dat een cliënt in haar boeken slechts één gereglementeerde spaarrekening kan aanhouden. Men zou deze beperking kunnen koppelen aan een beding krachtens hetwelk boven een bepaald bedrag op het credit van de spaarrekening, het surplus automatisch op een zichtrekening van de cliënt wordt overgeschreven, wat het nadeel van de bank de facto zou beperken.

Verplichte voorafgaande verwittiging van de cliënt. Het is in elk geval aangewezen dat, wat de cliënten betreft die reeds door een rekeningovereenkomst met de bank verbonden zijn, deze de mogelijkheid hebben vooraf van deze contractuele wijziging te worden verwittigd, en dat hun toestemming op zekere wijze wordt ingewonnen (uitdrukkelijk of stilzwijgend, maar zeker). Een mogelijkheid om de rekeningovereenkomst te beëindigen, mits een redelijke opzegtermijn, moet eveneens aan de cliënt worden gelaten. Let erop deze interesten niet te verwarren met de kwestie van de verwijlinteresten of debetinteresten die de bank vordert.

Dit artikel is een vertaling. Enkel de Franse versie is authentiek. Het wordt louter ter informatie verstrekt en vormt geen juridisch advies.

Geef een reactie

Omhoog ↑

Ontdek meer van Banking and Finance law in Belgium

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder