{"id":10773,"date":"2026-10-16T09:29:21","date_gmt":"2026-10-16T07:29:21","guid":{"rendered":"https:\/\/bankinglaw.be\/?p=10773"},"modified":"2026-10-16T12:10:23","modified_gmt":"2026-10-16T10:10:23","slug":"hvj-c-70-25-eerst-terugbetalen-belgische-rechter","status":"publish","type":"post","link":"https:\/\/bankinglaw.be\/nl\/hvj-c-70-25-eerst-terugbetalen-belgische-rechter\/","title":{"rendered":"Betalingsfraude, phishing en de regel \u201eeerst terugbetalen\u201d: wat het arrest C-70\/25 echt verandert voor de Belgische rechter"},"content":{"rendered":"<p><em>Het Hof van Justitie heeft op 15 oktober 2026 beslist: grove nalatigheid van de klant laat de bank niet toe de onmiddellijke terugbetaling van een niet-toegestane betaling te weigeren. Voor de Belgische geschillen ligt de echte inzet nu elders: bij de kwalificatie van de betaling en bij de procedure.<\/em><\/p>\n<p>Een overzicht van alle regels vindt u in onze <a href=\"https:\/\/bankinglaw.be\/nl\/phishing-frauduleus-gebruik-betaalmiddelen\/\">gids over phishing en betalingsfraude<\/a>.<\/p>\n<p>In juni bespraken we <a href=\"https:\/\/bankinglaw.be\/nl\/bankphishing-de-bank-als-voorlopige-financier-van-de-twijfel\/\">de Antwerpse beschikking<\/a> die een bank in kort geding veroordeelde om bijna 50.000 EUR terug te betalen aan een koppel van in de negentig. De voorzitter steunde op de conclusie van advocaat-generaal Rantos in zaak C-70\/25. Enkele dagen later oordeelden twee Brusselse voorzitters, een Franstalige en een Nederlandstalige, in tegengestelde zin.<\/p>\n<p>Het arrest volgt nu. Zonder verrassing volgt het Hof zijn advocaat-generaal en de regels die al jaren gelden. De vraag is dus niet meer of de bank eerst moet terugbetalen. De vraag is wanneer die verplichting ontstaat, en voor welke rechter ze besproken wordt.<\/p>\n<h2>Het Hof bevestigt: een niet-toegestane betaling wordt terugbetaald, ook bij grove nalatigheid<\/h2>\n<p>De feiten zijn eenvoudig. Een Poolse klant verkoopt iets op een veilingsite. Een valse koper stuurt haar een link. Ze vult haar gegevens in op een nagemaakte website van haar bank en geeft de sms-code door. De fraudeur schrijft 3.000 zloty over. De bank weigert terug te betalen wegens grove nalatigheid.<\/p>\n<p>Het Hof antwoordt in drie stappen.<\/p>\n<p>Artikel 73 van richtlijn 2015\/2366, omgezet in artikel VII.43 WER, kent maar \u00e9\u00e9n uitzondering op de onmiddellijke terugbetaling: het vermoeden van fraude door de betaler, schriftelijk gemeld aan de bevoegde overheid (punten 33 en 34). Grove nalatigheid hoort daar niet bij.<\/p>\n<p>Artikel 73 regelt de terugbetaling, artikel 74 de verdeling van de aansprakelijkheid in een later stadium (punt 42). De bank betaalt eerst terug en kan de verliezen daarna via de rechter terugvorderen van de klant (punten 38 en 46).<\/p>\n<p>Een andere lezing zou de klant verplichten zelf naar de rechter te stappen en de kosten te dragen. Dat strookt niet met een hoog niveau van consumentenbescherming (punt 45). De bank kan dus niet zelf over haar aansprakelijkheid oordelen en zich zo van de terugbetaling vrijstellen (punten 20 en 47).<\/p>\n<p>In de tekst is dat niet nieuw. Het Hof herinnert eraan dat de eerste richtlijn geen enkele uitzondering kende (punten 48 en 49). Nieuw is wel dat een lezing die de regel afzwakte, nu in de hele Unie van tafel is.<\/p>\n<h2>De regel geldt alleen voor een niet-toegestane betaling, en daarover zegt het Hof niets<\/h2>\n<p>Het arrest vertrekt van iets wat niemand betwistte: de betaling was niet toegestaan. De Poolse bank voerde alleen grove nalatigheid aan.<\/p>\n<p>E\u00e9n zin verdient aandacht. In punt 15 vermeldt het Hof dat de fraudeur de betaling heeft toegestaan met een sms-code die hij door bedrog van de klant had verkregen. Die zin zal in vishingdossiers worden aangehaald, alsof het Hof heeft geoordeeld dat een betaling met een door de klant afgegeven code niet toegestaan blijft. Dat is niet zo. Punt 15 geeft de feiten weer zoals de verwijzende rechter ze beschreef. Over de kwalificatie werd het Hof niets gevraagd.<\/p>\n<p>In Belgi\u00eb begint het proces bijna altijd precies daar. Bij de meest voorkomende fraude belt een valse bankmedewerker de klant op en laat hem zelf een overschrijving goedkeuren in zijn app, zonder dat de klant beseft dat hij die overschrijving toestaat. Volgens artikel VII.32 WER is een betaling toegestaan als de betaler instemt in de vorm en volgens de procedure die met de bank zijn afgesproken. Het niet-toegestane karakter is geen uitzondering op artikel VII.43: <strong>het is de voorwaarde om het toe te passen.<\/strong><\/p>\n<h2>Wat mag een fraudeslachtoffer verwachten van de Belgische rechter?<\/h2>\n<p>De klant die terugbetaling wil v\u00f3\u00f3r elk debat over nalatigheid, heeft twee wegen. De rechtbanken gaan er niet op dezelfde manier mee om.<\/p>\n<p>De eerste weg is het kort geding. De voorzitter van de ondernemingsrechtbank Antwerpen opende die op 26 mei 2026 (C\/26\/00024, gepubliceerd in D.B.F. 2026\/11). Volgens hem volgt de hoogdringendheid uit artikel VII.43 zelf, dat terugbetaling uiterlijk de volgende werkdag oplegt. Hij onderzoekt toestemming noch nalatigheid: het volstaat dat de voorwaarden van artikel VII.43 vervuld lijken. Dat lijkt ons procesrechtelijk betwistbaar: hoogdringendheid wordt in concreto beoordeeld en volgt niet uit een wetsartikel.<\/p>\n<p>De Brusselse voorzitters volgden die lijn niet. Op 9 juni 2026 verklaarde de voorzitter van de Franstalige ondernemingsrechtbank een gelijkaardige vordering ongegrond (C\/26\/00014; wij traden op voor de bank). Het verlies van een groot bedrag volstaat niet om hoogdringendheid aan te tonen, anders zou elke onbetaalde schuldeiser in kort geding kunnen gaan. De Nederlandstalige voorzitter oordeelde de dag nadien in dezelfde zin.<\/p>\n<p>De tweede weg is een maatregel alvorens recht te doen op grond van artikel 19, derde lid, Ger.W. De bodemrechter kan de bank dan binnen enkele weken veroordelen tot een voorlopige betaling. De klant moet wel aantonen dat de betaling niet toegestaan was, en de bank kan een tegenvordering instellen op grond van grove nalatigheid.<\/p>\n<p>Op dat terrein is de rechtspraak verdeeld.<\/p>\n<p>Verschillende rechtbanken weigerden de maatregel. Op 27 juni 2023 oordeelde de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel (A\/23\/01035) dat ze niet kon beslissen zonder principes aan te nemen die de beslissing ten gronde zouden be\u00efnvloeden, met verwijzing naar het arrest van het Hof van Cassatie van 26 februari 2014 (C.12.0388). Op 17 april 2025 stelde de eerste kamer van de Franstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel (24\/6623\/A) dat artikel VII.43 een materi\u00eble regel is die niet afwijkt van artikel 19, derde lid. De rechter moet dus de evenredigheid van de voorlopige betaling toetsen. Ze werd geweigerd, omdat de solvabiliteit van de bank niet in gevaar was.<\/p>\n<h2>Verandert het arrest C-70\/25 iets?<\/h2>\n<p>Klanten die een voorlopige betaling vragen, zullen het arrest inroepen. Dat moet gezegd worden.<\/p>\n<p><strong>Wat niet verandert, is de kwalificatie.<\/strong> Het arrest zegt niets over het moment waarop een betaling als niet-toegestaan moet gelden. De Brusselse rechters die over artikel 19, derde lid, oordelen, gaan minstens prima facie na of het niet-toegestane karakter aannemelijk is. Daar speelt het debat zich nu af. De bank legt er de authenticatielogs, het vertrouwde toestel, het gebruikte kanaal en de samenhang van het verhaal van de klant voor. De redenering van 2023, dat men niet voorlopig beslist over wat de kern van het geschil is, blijft overeind wanneer de toestemming ernstig betwist wordt.<\/p>\n<h2>Ondernemingen zijn geen consumenten, en bij phishing kan dat het verschil maken<\/h2>\n<p>Artikel 61, \u00a7 1, van de richtlijn laat toe om met een gebruiker die geen consument is af te spreken dat bepaalde artikelen niet gelden, waaronder artikel 72 over de bewijslast en artikel 74 over de aansprakelijkheid. Als de algemene voorwaarden afwijken van de bewijslast, moet de onderneming eerst bewijzen dat de betaling niet toegestaan was. De voorwaarden van professionele rekeningen verdienen dus een nieuwe lezing.<\/p>\n<h2>Morgen verandert de PSR de aanpak grondig<\/h2>\n<p>De toekomstige Europese verordening betalingsdiensten verlegt een deel van het debat. Zoals we <a href=\"https:\/\/bankinglaw.be\/nl\/betalingsfraude-psr-gelaagde-aansprakelijkheid\/\">eerder uitlegden<\/a>, voert ze een categorie toegestane maar terug te betalen betalingen in: de consument die toestemming gaf omdat iemand zich voordeed als zijn bank, via kanalen die van de bank lijken te komen, kan terugbetaald worden. De bank krijgt vijftien werkdagen om terug te betalen of haar weigering te motiveren. Ze kan alleen weigeren als ze fraude of grove nalatigheid van de consument bewijst. De verordening pakt het probleem zo rechtstreeks aan.<\/p>\n<p>Het contrast met het arrest is leerrijk. Bij een niet-toegestane betaling vertraagt grove nalatigheid de terugbetaling niet. Bij een toegestane betaling na spoofing blijft ze een grond om te weigeren. Het onderscheid tussen toegestaan en niet-toegestaan verdwijnt dus niet. Het wordt nog belangrijker.<\/p>\n<blockquote><p><strong>Kernpunten voor banken<\/strong><\/p>\n<p>Baseer een weigering niet alleen op grove nalatigheid als het niet-toegestane karakter niet betwist wordt.<\/p>\n<p>Wordt de toestemming betwist, zeg dat dan binnen de werkdag en documenteer het: authenticatielogs, toestel, kanaal, tijdlijn. Dat is het enige verweer dat in de voorlopige fase standhoudt.<\/p>\n<p>Bereid elk fraudedossier voor alsof het op de inleidingszitting gepleit wordt.<\/p>\n<p>Houd grove nalatigheid voor de grond van de zaak, via een tegenvordering, en weeg de kost af: de bank wordt eisende partij.<\/p>\n<p>Herlees de voorwaarden van professionele rekeningen in het licht van artikel 61 van de richtlijn.<\/p><\/blockquote>\n<p>Het arrest C-70\/25 maakt van de bank geen verzekeraar tegen fraude. Het legt de volgorde vast. De strijd gaat niet meer over nalatigheid op het moment van de klacht, maar over de kwalificatie van de betaling, vanaf de eerste dag.<\/p>\n<p><!-- SM --><\/p>\n<div class=\"maillage-sm\">\n<h3>Lees ook<\/h3>\n<ul>\n<li><a href=\"https:\/\/bankinglaw.be\/nl\/phishing-frauduleus-gebruik-betaalmiddelen\/\">Phishing en betalingsfraude in Belgi\u00eb: wie betaalt terug, wie moet wat bewijzen?<\/a><\/li>\n<\/ul>\n<\/div>\n<p><!-- \/SM --><\/p>\n","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p>Het Hof van Justitie heeft beslist: grove nalatigheid van de klant laat de bank niet toe de onmiddellijke terugbetaling van een niet-toegestane betaling te weigeren. Voor de Belgische geschillen ligt de inzet nu bij de kwalificatie van de betaling en bij de procedure.<\/p>\n","protected":false},"author":185562167,"featured_media":10774,"comment_status":"open","ping_status":"open","sticky":false,"template":"","format":"standard","meta":{"_coblocks_attr":"","_coblocks_dimensions":"","_coblocks_responsive_height":"","_coblocks_accordion_ie_support":"","advanced_seo_description":"","jetpack_seo_html_title":"","jetpack_seo_noindex":false,"jetpack_seo_schema_type":"","_jetpack_newsletter_access":"","_jetpack_dont_email_post_to_subs":true,"_jetpack_newsletter_tier_id":0,"_jetpack_memberships_contains_paywalled_content":false,"_wpcom_ai_launchpad_first_post":false,"_jetpack_hide_featured_image":false,"_jetpack_featured_image_duplicate_dismissed":0,"_jetpack_feature_clip_id":0,"_jetpack_memberships_contains_paid_content":false,"footnotes":"","jetpack_post_was_ever_published":false},"categories":[11430978],"tags":[],"class_list":["post-10773","post","type-post","status-publish","format-standard","has-post-thumbnail","hentry","category-betalingen-fraude","clear","fallback-thumbnail"],"jetpack_likes_enabled":true,"jetpack_sharing_enabled":true,"jetpack_shortlink":"https:\/\/wp.me\/pbYDZD-2NL","jetpack-related-posts":[],"jetpack_featured_media_url":"https:\/\/i0.wp.com\/bankinglaw.be\/wp-content\/uploads\/2026\/10\/c70-25-rembourser-dabord.jpg?fit=1200%2C630&ssl=1","_links":{"self":[{"href":"https:\/\/bankinglaw.be\/nl\/wp-json\/wp\/v2\/posts\/10773","targetHints":{"allow":["GET"]}}],"collection":[{"href":"https:\/\/bankinglaw.be\/nl\/wp-json\/wp\/v2\/posts"}],"about":[{"href":"https:\/\/bankinglaw.be\/nl\/wp-json\/wp\/v2\/types\/post"}],"author":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/bankinglaw.be\/nl\/wp-json\/wp\/v2\/users\/185562167"}],"replies":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/bankinglaw.be\/nl\/wp-json\/wp\/v2\/comments?post=10773"}],"version-history":[{"count":7,"href":"https:\/\/bankinglaw.be\/nl\/wp-json\/wp\/v2\/posts\/10773\/revisions"}],"predecessor-version":[{"id":10903,"href":"https:\/\/bankinglaw.be\/nl\/wp-json\/wp\/v2\/posts\/10773\/revisions\/10903"}],"wp:featuredmedia":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/bankinglaw.be\/nl\/wp-json\/wp\/v2\/media\/10774"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/bankinglaw.be\/nl\/wp-json\/wp\/v2\/media?parent=10773"}],"wp:term":[{"taxonomy":"category","embeddable":true,"href":"https:\/\/bankinglaw.be\/nl\/wp-json\/wp\/v2\/categories?post=10773"},{"taxonomy":"post_tag","embeddable":true,"href":"https:\/\/bankinglaw.be\/nl\/wp-json\/wp\/v2\/tags?post=10773"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}